Kon het hof de e-mail aanmerken als het ‘enig geheim’ als bedoeld in artikel 272 Sr en oordelen dat de verdachte ‘wist of redelijkerwijs moest vermoeden’ dat het een geheim betrof dat hij uit hoofde van zijn ambt moest bewaren en dat hij (voorwaardelijk) opzet had op de schending van die geheimhoudingsplicht?
Hoge Raad, 13-01-2026