Dierenarts in hoedanigheid van toezichthouder namens de Voedsel en Waren Autoriteit. Gelet op hetgeen is aangevoerd, bestond voor n-o verklaring van het OM geen grond. ’s Hofs oordeel dat het daarop betrekking hebbende verweer moet worden verworpen is dus juist. Reeds daarop stuit het middel af. Opmerking verdient dat het bestaan van een redelijk vermoeden van schuld van een in de WED strafbaar gesteld feit niet in de weg staat aan het uitoefenen van de bevoegdheden die de dierenarts in zijn hoedanigheid van toezichthouder namens de Voedsel en Waren Autoriteit heeft, mits bij aanwending van die bevoegdheden tegenover een verdachte de aan deze als zodanig toekomende waarborgen in acht worden genomen. Het Hof heeft niet onbegrijpelijk geoordeeld dat niet aannemelijk is geworden dat bij het gebruik van die bevoegdheid de aan de verdachte toekomende waarborgen niet in acht zijn genomen. De enkele omstandigheid dat de dierenarts, zoals namens de verdachte wordt gesteld, op verzoek van de AID en met instemming van de OvJ de door hem verrichtte monsternemingen heimelijk heeft verricht maakt dit niet anders.
Hoge Raad, 21-01-2014