Sr_blom_234px

Tom Blom is hoogleraar Straf- en strafprocesrecht aan de Universiteit van Amsterdam. Hij is tevens raadsheer-plaatsvervanger in het Gerechtshof Amsterdam en rechter-plaatsvervanger in de Rechtbank Rotterdam.

Sr_crijns_234px

Jan Crijns is hoogleraar straf- en strafprocesrecht aan het Instituut voor Strafrecht & Criminologie van de Universiteit Leiden.

Sr_de_doelder_234px

Hans de Doelder is sinds 1987 hoogleraar strafrecht en strafprocesrecht aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Van 1993 tot 2001 was hij decaan van de Faculteit der Rechtsgeleerdheid. 

Daniel_grimmelikhuijzen_kader

Daniël Grimmelikhuijzen is als wetenschappelijk docent in dienst van de Erasmus Universiteit Rotterdam. In die hoedanigheid verzorgt hij onderwijs in straf- en strafprocesrecht en nam hij deel aan opdrachtonderzoek. Hij publiceerde op het gebied van materieel, formeel en Europees strafrecht in diverse tijdschriften, waaronder Delikt en Delinkwent, Strafblad en Nieuwbrief Strafrecht.

Sr_keupink_234px

Bart Keupink is advocaat bij NautaDutilh te Rotterdam.

Sjarai_lestrade

Sjarai Lestrade is universitair docent bij de Vaksectie Strafrecht en Criminologie aan de Radboud Universiteit Nijmegen.

Sr_mevis_234px

Paul Mevis is hoogleraar straf(proces)recht aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.

Sr_nan_234px

Joost Nan is universitair hoofddocent straf(proces)recht aan de Erasmus Universiteit Rotterdam en (cassatie)advocaat bij Wladimiroff Advocaten.

Joost_verbaan_kader

Joost Verbaan is in dienst van de Erasmus Universiteit Rotterdam als wetenschappelijk docent. Hij verzorgt onderwijs in straf(proces)recht. Daarnaast is hij directeur van het Erasmus Centre for Penal Studies (ECPS). 

Dv_verbree_kader

Danielle Verbree is in 2001 afgestudeerd aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam. Zij is sinds 2006 werkzaam als stafjurist Jeugdrecht bij de Rechtbank Den Haag (Team Jeugd & Bopz en Team Jeugd van het Landelijk Bureau Vakinhoud rechtspraak (LBVr)).

Sr_verloop_234px

Paul Verloop is partner bij Libertas Lawyers in Rotterdam.

Michiel_van_der_wolf_kader

Michiel van der Wolf is jurist en psycholoog. Hij is universitair hoofddocent strafrecht aan de Rijksuniversiteit Groningen en buitengewoon hoogleraar forensische psychiatrie aan de Universiteit Leiden.

 

Annotaties SR 2020-0207

J.H.J. Verbaan | 12-06-2020

Motivering gebruik verklaring persoon wiens identiteit niet blijkt. Commentaar bij Hoge Raad 9 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1007.


Download pdf

Lees ook de rechtspraak: Hoge Raad 09-06-2020


Verbaan_93x

Motivering gebruik verklaring persoon wiens identiteit niet blijkt. Commentaar bij Hoge Raad 9 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1007.

De verdediging klaagt namens verdachte, ten aanzien van wie openlijke geweldpleging is bewezen verklaard, dat het hof zonder motivering voor het bewijs gebruik gemaakt heeft van een schriftelijk bescheid houdende een verklaring van een persoon wiens identiteit niet blijkt. Het hof heeft voorts, voor zover van belang, overwogen dat volgens de aan de genoemde verbalisanten doorgegeven signalementen één van de drie geweldplegers het haar in een staartje droeg. De verdachte droeg op het moment dat de Fiat Punto werd stilgehouden zijn haar in een staartje. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft hij verklaard over zijn haardracht in de periode waarin het ten laste gelegde feit heeft plaatsgevonden. De verdachte had het haar aan de zijkant opgeschoren en op het achterhoofd was het langer. Het zou kunnen dat hij ook een staartje droeg, aldus de verdachte.

Tot de stukken waarvan de Hoge Raad kennisneemt behoort het proces-verbaal van bevindingen waaraan het genoemde bewijsmiddel is ontleend. Dit proces-verbaal houdt onder meer in:

‘Op woensdag 8 juni 2016 omstreeks 20:03 bevonden wij ons, verbalisanten, in uniform gekleed, met auto-surveillance belast, op de burgemeester Roellstraat te Amsterdam. Wij, verbalisanten, hoorden portofonisch dat een eenheid in de binnenstad van Amsterdam een melding kreeg van het Operationeel Centrum. De melding was dat er een taxichauffeur was welke was mishandeld. Hij zou in het water geduwd zijn en daarna kreeg hij fietsen naar zich toegegooid. Dit alles was gebeurd door een drietal jongens. Deze jongens waren mogelijk van Noord-Afrikaanse afkomst. Er zou een (1) een staartje hebben en ze zouden trainingspakken dragen. De jongens zouden hierna in een blauwe auto, van het merk Fiat, zijn weggereden in de richting van de Rozengracht. De auto zou voorzien zijn van een bepaald kenteken.’

De Hoge Raad overweegt dat op grond van artikel 360 lid 1 en lid 4 Sv de rechter het gebruik voor het bewijs van een schriftelijk bescheid houdende de verklaring van een persoon wiens identiteit niet blijkt, als bedoeld in artikel 344a lid 3 Sv, op straffe van nietigheid nader behoort te motiveren. Dit betekent dat de rechter zal moeten vermelden dat aan de eisen van artikel 344a lid 3 Sv is voldaan, en verder dat hij ervan blijk moet geven dat hij zelfstandig de betrouwbaarheid van de anonieme verklaring heeft onderzocht (vgl. ECLI:NL:HR:1999:ZD1460). De term ‘een persoon wiens identiteit niet blijkt’ omvat niet personen wier persoonsgegevens niet (volledig) zijn vermeld in het proces-verbaal waarin hun verklaringen zijn opgenomen, maar van wie vaststaat dat zij wel zodanig kunnen worden geïndividualiseerd dat de verdediging desgewenst hun verhoor als getuige door de rechter-commissaris of ter terechtzitting kan verzoeken (vgl. ECLI:NL:HR:2002:AE1195).

De Hoge Raad overweegt dat het hof het proces-verbaal van bevindingen houdende de weergave door de verbalisanten van door een centralist van het operationeel centrum van de politie verstrekte informatie, van welke centralist de persoonsgegevens niet in dat proces-verbaal zijn opgenomen, voor het bewijs gebruikt heeft. De desbetreffende informatie houdt onder meer in dat de centralist verslag doet over een melding van een – mogelijk – onbekend gebleven persoon. De Hoge Raad overweegt dat het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk ervan is uitgegaan dat niet gebleken is dat de identiteit van die persoon niet bij de politie kan worden achterhaald. De Hoge Raad oordeelt, gelet daarop, dat het hof heeft kunnen oordelen dat die centralist zodanig kan worden geïndividualiseerd dat de verdediging desgewenst zijn verhoor als getuige kon verzoeken – zo nodig ook over de identiteit van degene die de informatie aan het operationeel centrum heeft verstrekt – en dat dus geen sprake is van een verklaring van een persoon wiens identiteit niet blijkt als bedoeld in artikel 344a lid 3 Sv. De Hoge Raad overweegt dat anders dan de klacht veronderstelt, hieraan de mogelijkheid dat het proces-verbaal van bevindingen een verklaring bevat van de centralist over wat deze van een onbekend gebleven persoon heeft vernomen, niet afdoet (vgl. ECLI:NL:HR:2004:AQ8925).