Sr_blom_234px

Tom Blom is hoogleraar Straf- en strafprocesrecht aan de Universiteit van Amsterdam. Hij is tevens raadsheer-plaatsvervanger in het Gerechtshof Amsterdam en rechter-plaatsvervanger in de Rechtbank Rotterdam.

Sr_crijns_234px

Jan Crijns is hoogleraar straf- en strafprocesrecht aan het Instituut voor Strafrecht & Criminologie van de Universiteit Leiden.

Sr_de_doelder_234px

Hans de Doelder is sinds 1987 hoogleraar strafrecht en strafprocesrecht aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Van 1993 tot 2001 was hij decaan van de Faculteit der Rechtsgeleerdheid. 

Daniel_grimmelikhuijzen_kader

Daniël Grimmelikhuijzen is als wetenschappelijk docent in dienst van de Erasmus Universiteit Rotterdam. In die hoedanigheid verzorgt hij onderwijs in straf- en strafprocesrecht en nam hij deel aan opdrachtonderzoek. Hij publiceerde op het gebied van materieel, formeel en Europees strafrecht in diverse tijdschriften, waaronder Delikt en Delinkwent, Strafblad en Nieuwbrief Strafrecht.

Sr_keupink_234px

Bart Keupink is advocaat bij NautaDutilh te Rotterdam.

Sjarai_lestrade

Sjarai Lestrade is universitair docent bij de Vaksectie Strafrecht en Criminologie aan de Radboud Universiteit Nijmegen.

Sr_mevis_234px

Paul Mevis is hoogleraar straf(proces)recht aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.

Sr_nan_234px

Joost Nan is universitair hoofddocent straf(proces)recht aan de Erasmus Universiteit Rotterdam en (cassatie)advocaat bij Wladimiroff Advocaten.

Joost_verbaan_kader

Joost Verbaan is in dienst van de Erasmus Universiteit Rotterdam als wetenschappelijk docent. Hij verzorgt onderwijs in straf(proces)recht. Daarnaast is hij directeur van het Erasmus Centre for Penal Studies (ECPS). 

Dv_verbree_kader

Danielle Verbree is in 2001 afgestudeerd aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam. Zij is sinds 2006 werkzaam als stafjurist Jeugdrecht bij de Rechtbank Den Haag (Team Jeugd & Bopz en Team Jeugd van het Landelijk Bureau Vakinhoud rechtspraak (LBVr)).

Sr_verloop_234px

Paul Verloop is partner bij Libertas Lawyers in Rotterdam.

Michiel_van_der_wolf_kader

Michiel van der Wolf is jurist en psycholoog. Hij is universitair hoofddocent strafrecht aan de Rijksuniversiteit Groningen en buitengewoon hoogleraar forensische psychiatrie aan de Universiteit Leiden.

 

Annotaties SR 2019-0060

M.J.F. van der Wolf | 22-05-2020

Annotatie onder Hoge Raad 5 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:296.


Download pdf

Lees ook de rechtspraak: Hoge Raad 05-03-2019


Michiel_van_der_wolf

Annotatie onder Hoge Raad 5 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:296.

1. Eigen schuld, dikke bult. Dit ‘culpa in causa’-vraagstuk speelt regelmatig bij de vraag of sprake is van een strafuitsluitingsgrond. Met name bij noodweer moet vaak worden afgewogen in hoeverre de aanranding waartegen men zich mag verdedigen is uitgelokt door een gezochte confrontatie. In dat soort gevallen voelt straffeloosheid immers niet als gerechtigheid. In strafrechtsdogmatische termen is er dan sprake van ‘anterieure verwijtbaarheid’, het verwijt schuift terug in de tijd naar het moment waarop de uiteindelijke verdediger de aanranding van de aanvaller uitlokte. Iets soortgelijks speelt ook bij de strafuitsluitingsgrond ontoerekeningsvatbaarheid. De psychische stoornis die de strafbare gedraging volledig verklaard kan namelijk ook zijn ‘uitgelokt’. In dat geval gaat het vaak om een ziektebeeld (vaak een psychose) dat is ontstaan door middelengebruik. De gedraging op basis van de stoornis is dan toch verwijtbaar, omdat het ontstaan van de stoornis in dit geval verwijtbaar is.

Vergelijk het met de visie van John Stuart Mill ten aanzien van een ‘kwade dronk’: ‘The making himself drunk, in a person whom drunkenness excites to do harm to others, is a crime against others.’[1] Waar verdachten voor zichzelf vaak psychologisch een excuus of zelfrechtvaardiging zien in hun benevelde staat, vindt de samenleving, bij monde van de volksvertegenwoordiging, juist dat het reden moet kunnen zijn voor strafverzwaring. Zo is er in 2011 een motie van toenmalig Kamerlid Ahmed Marcouch aangenomen, waarin overwogen werd ‘dat het algemeen bekend is dat alcohol en sommige drugs ontremmend werken en daardoor de drempel voor het gebruik van geweld verlagen’ en wordt de regering verzocht om ‘het gebruik van alcohol en drugs bij geweldsdelicten te laten leiden tot een zelfstandig strafverhogend element in de strafeis door de officier van justitie’.[2] Nou hoeven moties niet wetenschappelijk onderbouwd te worden, regelgeving in het algemeen zelfs niet. Maar over het verband tussen middelengebruik en geweld bestaan wetenschappelijk gezien nog veel vraagtekens. Toch is dat verband volgens de Tweede Kamer al algemeen bekend.[3]

2. Ten aanzien van het culpa in causa-vraagstuk bij ontoerekeningsvatbaarheid heeft de Hoge Raad een al even algemeen standpunt ingenomen. Ook al is in zo’n geval de stoornis een extra causale schakel tussen het middelengebruik en het delict, zodat de verwijtbaarheidsvraag intuïtief gezien ingewikkelder wordt. Niet in het minst omdat over zowel het verband tussen middelengebruik en stoornis, als het verband tussen stoornis en geweld, wetenschappelijk gezien ook nog veel vraagtekens bestaan. Althans, uit onderzoek blijkt juist wel dat in zijn algemeenheid dergelijke verbanden er niet zijn. Wetenschappelijk gezien is het dus van belang te specificeren – welk middel, welke stoornis, welke gedraging – en te individualiseren waarom die verbanden in dit geval kunnen worden aangenomen. Dat was voorheen ook juridisch van belang.

In 1981 werd namelijk door de Hoge Raad een eerste standaardarrest gewezen dat de toepasselijke naam Culpa in causa-arrest heeft meegekregen.[4] De verdachte had zijn grootmoeder gedood in een paranoïde psychose die ontstaan was als gevolg van gelijktijdig gebruik van heroïne en cocaïne. Het hof stelde vast – en de Hoge Raad accepteerde dat – dat de verdachte inzicht had in de gevaren of effecten van het middelengebruik, omdat:

  • er eerder vreemde verschijnselen waargenomen waren bij hem na gebruik van heroïne en cocaïne (namelijk hallucinaties);
  • het een feit van algemene bekendheid is dat die stoffen gevaarlijk zijn: dat er gezondheidsrisico’s aan kleven, dat ze niet voor niets verboden zijn door de wetgever, en dat ze de wil en het normbesef aantasten;
  • hij bij eerder gebruik gewelddadige fantasieën heeft gehad, iets waar hij anders niet aan zou hebben durven denken.

Het draait hier om het criterium van voorzienbaarheid als voorwaarde voor verwijtbaarheid. In casu was dus niet alleen het feit van algemene bekendheid dat dergelijke stoffen de wil en het normbesef aantasten redengevend, maar juist ook de geïndividualiseerde voorzienbaarheid van de causale schakels. Dat dit middelengebruik tot psychose kon leiden was bij de verdachte uit ervaring bekend, alsook dat hij in een dergelijke toestand gewelddadige fantasieën kreeg die hij anders niet had. Er kon hem een verwijt worden gemaakt, oftewel de daad werd hem toegerekend, omdat hij de effecten had voorzien, kunnen voorzien of behoren te voorzien.

In 2008 wijkt de Hoge Raad echter af van deze lijn in het zogenoemde Cannabispsychose-arrest.[5] Het ging om een poging tot diefstal, vernieling en mishandeling in een acute psychose, ontwikkeld na gebruik van cannabis. De verdachte hanteerde het verweer dat hij het effect niet had voorzien. Hij rookte heel vaak cannabis maar had dit effect nog nooit gehad en bovendien is een dergelijk effect na cannabis een stuk uitzonderlijker dan na harddrugs. En cannabisgebruik wordt toch niet voor niets gedoogd? Daarop zei de Hoge Raad dat het voorzienbaarheidscriterium geen steun vindt in het recht. Het ging immers om:

  • een regelmatige gebruiker,
  • die bekend was met het effect van cannabis op de psychische toestand (MW: weliswaar een ander effect dan in casu),
  • die kon weten dat gebruik van cannabis ‘niet geheel ontbloot is van risico’s’ en dat cannabisgebruik tot riskant gedrag kan leiden,
  • terwijl het een feit van algemene bekendheid is dat de effecten van cannabis van persoon tot persoon verschillen.

Kortom, ook al was dit effect in uw geval niet specifiek te voorzien, we maken u op basis van algemeenheden toch een verwijt omdat u dit middel vrijwillig en welbewust heeft genomen, zodat alles wat daar na komt voor uw rekening komt.

3. Die vrijwilligheid en welbewustheid van de inname zijn – als conditio sine qua non ook voor voorzienbaarheid – voor de verwijtbaarheid dan nog wel belangrijke criteria. Immers, iemand kan ook gedwongen worden een middel in te nemen, dan wel zich er niet bewust van zijn dat iemand bijvoorbeeld een middel in zijn of haar drankje heeft gedaan. Dan valt het verwijt inderdaad weg. Ingewikkelder wordt het bijvoorbeeld in het geval van een verslaving. In hoeverre is de inname dan nog vrijwillig? Dat is een complicerende factor, een soort culpa in causa in het kwadraat. De verwijtbaarheid schuift dan van het moment van het delict naar het moment van inname naar het moment van eerste inname. Er is wel betoogd dat de verantwoordelijkheid ook geldt voor het verslaafd zijn dat mogelijk al jaren aan de gang is, een soort levensverantwoordelijkheid. Dit raakt ook aan de discussie of verslaving een ziekte is of een ‘zonde’. Dat is nog een aanwijzing dat hier normatieve afwegingen een belangrijke rol spelen.

Bij anterieure verwijtbaarheid verschuift de beoordeling van de psychische toestand naar het moment van inname, en bij verslaving dan wellicht naar het moment van eerste inname. Is dat nog te beoordelen? Ten aanzien van voorzienbaarheid zou je juist kunnen zeggen dat een verslaafde als regelmatige gebruiker een afwijkend effect minder snel moet zien aankomen, tenzij sprake was van een andere dosis, andere dealer, et cetera. Overigens worden er in de rechtspraktijk vaak pragmatische compromissen bedacht tussen de rechtsbelangen die op het spel staan. De soep wordt niet zo heet gegeten als die wordt opgediend, met name doordat we naast de ontoerekeningsvatbaarheid natuurlijk ook de verminderde toerekening kennen. In veel vonnissen is een gebrek aan voorzienbaarheid van de effecten daarvoor toch een belangrijke grond. Zo werd in het Cannabispsychose-arrest de verdachte sterk verminderd toerekeningsvatbaar geacht. Geen vrijbrief dus, maar ook geen sterk verwijt. Hierbij speelt ook een rol dat het niet ging om heel zware delicten. Ook komt men vaak tot verminderde toerekening op basis van het bestaan van bijvoorbeeld een persoonlijkheidsstoornis ten tijde van inname. Ook kan, als er sprake is van meerdere feiten, het ene feit wel worden toegerekend en de andere niet en kan er ook altijd in de sanctietoemeting nog met de omstandigheden van het geval rekening worden gehouden.

4. De onderhavige zaak onderscheidt zich van het Cannabispsychose-arrest doordat sprake is van een combinatie-effect met (voorgeschreven) legale middelen. Daarnaast is dus wel relevant dat het hier om ernstige levensdelicten gaat. De verdachte heeft gepoogd twee prostituees te wurgen – eenmaal als poging doodslag en eenmaal als poging zware mishandeling gekwalificeerd – op basis van een kortdurend manisch psychotisch toestandsbeeld dat ontstaan zou zijn door een combinatie van alcohol, cannabis en voorgeschreven medicatie, te weten citalopram (antidepressivum) en propranolol (angstremmer). Daardoor kon hij zich ook niets meer herinneren van het delict. De rapporteur sprak in eerste aanleg – herhaald in hoger beroep – van een ‘zeldzaam en onverwacht effect’. De verdachte had uit eigen ervaring dit effect niet kunnen verwachten en op de bijsluiter wordt niet gewaarschuwd voor de combinatie met alcohol. De rapporteur adviseerde dan ook de verdachte ontoerekeningsvatbaar te achten. Maar wat oordeelde de rechtbank in eerste aanleg: dat het feiten van algemene bekendheid zijn dat bij alcohol ontremming kan optreden en dat men voorzichtig moet zijn met de combinatie van medicatie en alcohol.[6] In hoger beroep heeft het hof vastgesteld dat verdachte naar eigen zeggen kort voor het bewezen verklaarde handelen ‘veel te veel’ alcohol had gedronken, hij bewust heeft gekozen om die alcohol in combinatie met die middelen te gebruiken en hij wist dat die middelen een ontremmende werking hebben. Daarom heeft het hof het door de verdediging gedane beroep op volledige ontoerekenbaarheid verworpen, kennelijk op de grond dat die psychotische ontremming aan verdachte zelf te wijten is geweest.[7] Dat vindt de Hoge Raad onjuist noch onbegrijpelijk.

De irrelevantie van het individuele voorzienbaarheidscriterium voor de beoordeling van de ontoerekeningsvatbaarheid wordt zo dus opgerekt naar de situatie van een combinatie van alcohol met medicatie (de cannabis lijkt in de argumentatie minder een rol te spelen). Toch is de voorzienbaarheid voor de beoordeling van de strafbaarheid wel van belang, getuige de verdere uitleg van het hof:

‘Hoewel het hof ervan uitgaat dat de verdachte niet wist dat de combinatie van alcohol en propranolol tot agressie kan leiden, wist de verdachte wel dat citalopram en propranolol een ontremmende werking hebben. De keuze van de verdachte om middelen met een ontremmende werking “te stapelen”, terwijl hij bovendien niet wist wat de uitwerking van de combinatie van alcohol en propranolol bij hem zou zijn (hij had deze middelen niet eerder in combinatie met elkaar gebruikt), is een bewuste, verkeerde en hem aan te rekenen geweest. In die zin kan de verdachte ten dele verantwoordelijk worden gehouden voor zijn onder invloed van die middelen ontstane gedragingen.’

Het hof is daarom van oordeel dat het bewezen verklaarde de verdachte in sterk verminderde mate kan worden toegerekend. Dat er al op het moment van inname sprake was van psychische stoornissen, blijkt immers juist wel uit het medicijngebruik. Wederom wordt de soep minder heet gegeten. Het gaat vooral om het principiële punt dat niet tot gehele straffeloosheid kan worden besloten.

5. Soms is het een stuk onduidelijker of eventuele strafbare gedragingen voortkomen uit middelengebruik dan wel uit psychische stoornissen die al voor inname van die middelen aanwezig waren. Dat was bijvoorbeeld het geval in een andere zaak van ongeveer een jaar geleden.[8] Het betreft een zaak van zeer ernstige geweldshandelingen in een aantal dagen, uiteindelijk gekwalificeerd als: zware mishandeling, twee mishandelingen, doodslag, moord, poging doodslag en poging gekwalificeerde doodslag. De rechtbank begint de strafmotivering, in reactie op de verklaringen van slachtoffers en nabestaanden, zelfs met het uitleggen waarom de doodstraf in Nederland niet mogelijk is en legt uiteindelijk 24 jaar gevangenisstraf en tbs op, zonder iets over de mate van toerekening op te merken anders dan dat de feiten – kennelijk volledig – aan de betrokkene zelf te wijten zijn. Nochtans hadden de gedragsdeskundigen geadviseerd de man ontoerekeningsvatbaar te achten.

Het verschil is te verklaren door de rol van pillen die de betrokkene in de weken voorafgaand aan het plegen van de geweldshandelingen is gaan slikken. Die noemde hij zelf ‘illusietabletten’ en ‘hallucinogene pillen’. De deskundigen hebben in hun beoordeling deze pillen buiten beschouwing gelaten omdat het niet duidelijk is om wat voor pillen het gaat, maar ook omdat de verdachte rond de inname van de pillen al met zoveel stress te maken had, dat zijn woorden op dit gebied mogelijk minder betrouwbaar zijn. Er waren al veel omstandigheden waardoor het niet goed ging met de verdachte. Er waren spanningen in de relatie met een slachtoffer, het overlijden van familieleden in Syrië, het zich niet gehoord voelen door instanties, gevoelens van onveiligheid, eenzaamheid, acculturatieproblematiek en beperkingen in de mogelijkheden om stress te reguleren. Er speelde derhalve een veelheid aan factoren mee waardoor de verdachte langzaam de grip op de realiteit begon te verliezen. ‘De genoemde tabletten waren mogelijk één van de factoren, maar dat kan niet met zekerheid worden gesteld.’

Voor de rechtbank waren de pillen echter het ‘haakje’ naar het ondergraven van het deskundigenoordeel van het Pieter Baan Centrum en de mogelijkheid om toch straf – en een flinke ook – op te leggen aan iemand die onder andere twee levensdelicten heeft gepleegd. Hoewel hij al een paar maanden de grip op de realiteit kwijt was, angstig en verward, is voor de rechtbank het feit dat hij steeds meer cannabis is gaan gebruiken en die pillen, zelfs nog ‘daags voordat zijn psychose volledig de overhand krijgt’, in combinatie met de wetenschap dat de pillen invloed hadden op zijn realiteitsbesef, reden voor een volledig schuldverwijt. Ter onderbouwing daarvan worden de criteria van het Cannabispsychose-arrest netjes gevolgd.

6. Nu deze zaken zo op een rijtje zijn gezet, vallen twee dingen op. Ten eerste hoe de beoordeling van de gedragsdeskundigen en de rechters in deze zaken veelal haaks op elkaar staan. Het moge duidelijk zijn dat het vraagstuk van culpa in causa bij een stoornis op basis van middelengebruik, de beoordeling van de toerekeningsvatbaarheid een stuk normatiever maakt dan het eigenlijk al is. Richtlijnen, zoals die van de NVvP, geven bij culpa in causa op basis van middelengebruik expliciet aan: ‘Het vaststellen is aan de rechter, de psychiater levert daarvoor de benodigde informatie aan.’[9] Wat mij betreft geldt dat voor de toerekening in het algemeen, al ben ik niet per se van de school die vindt dat de gedragsdeskundige zich niet over de toerekening mag uitlaten. Maar vanwege die extra normatieve lading zou mijn advies zijn in dit soort zaken zeker geen uitspraak te doen over de toerekening. Ook is het aan te bevelen om gedragskundigen – overigens net als juristen – over deze materie voor te lichten. De daad heb ik in 2017 bij het woord gevoegd middels een videocollege over culpa in causa voor de opleiding voor gedragskundige pro Justitia-rapporteurs, die nog steeds wordt gebruikt, en waaraan ook delen van deze noot ontleend zijn. Wat moeten gedragskundigen wel doen in zo’n zaak?

  • Blijf bij de eigen expertise en lever alle informatie aan over de psychische toestand ten tijde van het delict, ten tijde van de inname – en bij verslaving eventueel ten tijde van eerste inname.
  • Lever alle belangrijke informatie ten aanzien van de voorzienbaarheid, zoals eerdere ervaringen, alsook de relevantie van de mogelijk eenmalige stoornis voor het recidiverisico en het behandeladvies.
  • U moet dus naast uw diagnostische kennis voldoende kennis hebben van middelen en verslaving.
  • En kennis van hoe juristen denken in dit soort zaken.

7. En dat is precies het tweede dat opvalt in deze zaken: hoe juristen denken. Men kan zich niet aan de indruk onttrekken dat deskundige onduidelijkheid wat gemakkelijk gecompenseerd wordt met betwistbare algemeenheden. Hierbij speelt de ernst van de feiten en de wens tot genoegdoening een rol, waarvoor volledige straffeloosheid problematisch is. Als in de eerste zaak het alcoholgebruik matig was geweest of als er in de tweede niet ook cannabis was gebruikt, waren die algemeenheden minder bruikbaar geweest. En wat als de stoornis nou optreedt naar aanleiding van voorgeschreven middelengebruik, of juist abstinentie daarvan? Bij sommige antidepressiva staat op de bijsluiter dat die in een klein aantal gevallen tot agressiviteit kan leiden. In de film ‘Side effects’ [spoiler alert] speelt Jude Law de psychiater van een vrouw die haar man doodt nadat hij haar een nieuw antidepressivum heeft voorgeschreven. Hij gelooft haar verhaal, dat het een uitzonderlijke bijwerking – side effect – moet zijn van het medicijngebruik. Maar achteraf blijkt dat zij het middel wilde hebben om een excuus te hebben voor de geplande moord op haar man.

De les van deze film is wat mij betreft niet dat de psychiater erin trapt, al lijken de rechters in de besproken zaken ook een beetje zo te redeneren. De les is het strafrechtelijke belang om niet te gemakkelijk een dergelijk verhaal te aanvaarden, omdat het een precedent kan scheppen dat tot simulatie leidt. In Amerika zijn wel mensen om deze reden niet veroordeeld voor ‘Prozac killings’.[10] Dit normatieve element van de precedentwerking is ook iets waar gedragsdeskundigen in een individuele zaak zich niks aan gelegen hoeven laten liggen, maar waar rechters wel rekening mee moeten houden, net als in de besproken zaken: wat als een combinatie van alcohol met gangbare psychofarmaca of het gebruik van cannabis met onbekende pillen tot straffeloosheid zou leiden voor het plegen van ernstige delicten? In dergelijke zaken kan dit onderliggende rechtsbelang gemakkelijk onder algemeenheden verborgen worden, maar als het gaat om voorgeschreven medicatie worstelen we hier in Nederland terecht mee in de rechtszaal.[11] Bijvoorbeeld in de moord op een agent in de Baflo-zaak, waar vele deskundigen tot vele gradaties van toerekeningsvatbaarheid kwamen,[12] of in de Badhoevedorpse bijlmoorden-zaak (waar het ging om Seroxat).[13] Want aan de ene kant gaat het om ernstige feiten die vragen om genoegdoening en vrezen we dat het verweer een verzinsel is. Maar aan de andere kant is daar het beginsel ‘geen straf zonder schuld’. Als iemand zonder het (op voorschrift) nemen van die pillen nooit zoiets vreselijks zou hebben gedaan, dan is dat toch niet verwijtbaar? Moet het onschuldige individu dan de straf dragen van toekomstige simulanten? Het is niet vreemd dat de omstandigheden van het geval dan de doorslag kunnen geven. Uiteindelijk vraagt het nemen van een dergelijke beslissing wellicht wat ‘Dutch courage’…

 

[1] In zijn bekende boek On Liberty uit 1859.

[2] Kamerstukken II 2010/11, 28684, nr. 300.

[3] Binnenkort krijgen we daar wel meer informatie over, juist omdat deze motie geleid heeft tot regelgeving die adem- of bloedonderzoek mogelijk maakt bij verdachten van geweldsdelicten.

[4] HR 9 juni 1981, NJ 1983/412.

[5] HR 12 februari 2008, NJ 2008/263.

[6] Rb. Amsterdam 22 juli 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:4686.

[7] Hof Amsterdam 20 oktober 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:4668.

[8] Rb. Limburg 12 maart 2019, ECLI:NL:RBLIM:2019:2219.

[9] Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie, Richtlijn psychiatrisch onderzoek en rapportage in strafzaken, Utrecht: De Tijdstroom 2013.

[10] B. Bakker, ‘Zijn er nu ook “Proza killings” in Nederland?’, de Volkskrant 16 januari 2012.

[11] Zie hierover uitgebreider D. Roef & D.J. Verkes, ‘Medicijngebruik, agressie en strafrechtelijke verantwoordelijkheid’, NJB 2013/2614, afl. 45, p. 3137-3142.

[12] Rb. Noord Nederland 5 maart 2013, ECLI:NL:RBNNE:2013:BZ3265; Hof Arnhem-Leeuwarden 11 december 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:9618.

[13] Rb. Haarlem 24 november 2009, ECLI:NL:RBHAA:2009:BK4178; Hof Amsterdam 3 maart 2011, ECLI:NL:GHAMS:2011:BP6664.