Annotaties SR 2018-0316

P.C. Verloop | 05-11-2018

Annotatie bij Hoge Raad 4 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1428.


Download pdf

Lees ook de rechtspraak: Hoge Raad 04-09-2018


Verloop_93px

Annotatie bij Hoge Raad 4 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1428.

Op 4 september 2018 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan op het beroep in cassatie in het belang der wet in een kwestie die de gemoederen in de betaalde strafrechtadvocatuur lang heeft beziggehouden. De reden om cassatie in het belang der wet in te stellen is dat in de praktijk onduidelijkheid bestaat over de vraag of een verzoek tot vergoeding van de kosten van een raadsman voor toewijzing vatbaar is ook indien de verzoeker, de gewezen verdachte, die kosten niet zelf draagt maar deze worden gedragen door een derde, zoals zijn werkgever.

Waar gaat het om? In artikel 591a lid 2 Sv is voorzien in de mogelijkheid van een vergoeding uit ’s Rijks kas aan de gewezen verdachte of zijn erfgenamen ‘voor de schade welke hij tengevolge van tijdverzuim door de vervolging en de behandeling der zaak ter terechtzitting werkelijk heeft geleden, alsmede, behoudens voorzover artikel 44a van de Wet op de rechtsbijstand van toepassing is, in de kosten van een raadsman’ indien de zaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a Sr. Met andere woorden, de verdachte die onherroepelijk is vrijgesproken of is ontslagen van alle rechtsvervolging kan verzoeken om vergoeding van de advocaatkosten die hij heeft moeten maken.

Uit de tekst van de wet volgt reeds dat aan een aantal voorwaarden moet zijn voldaan, wil een dergelijk verzoek voor toewijzing vatbaar kunnen zijn. Zo dient de zaak te zijn geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder toepassing van het rechterlijk pardon. Bovendien dient de gewezen verdachte op betalende basis te zijn bijgestaan door een raadsman. Indien een raadsman was toegevoegd, op verzoek van de inmiddels gewezen verdachte of op last van de rechter, dan kan geen vergoeding worden gevraagd, zo volgt uit artikel 44a Wet op de rechtsbijstand.

Uit de tekst van de wet werd tevens afgeleid dat een verzoek tot vergoeding van de kosten raadsman alleen voor toekenning in aanmerking kwam op het moment dat de gewezen verdachte zelf de kosten van rechtsbijstand heeft moeten dragen of zal moeten dragen (zie bijv. Hof Arnhem 16 juni 2011, ECLI:NL:GHARN:2011:BU3097 en ECLI:NL:GHARN:2011:BU3099 en Rb. Amsterdam 25 april 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:2716). Anders gezegd: als de kosten raadsman door een ander (bijvoorbeeld de werkgever) werden gedragen, dan werd in sommige (maar bepaald niet alle) gevallen het verzoek afgewezen. Deze onduidelijkheid vormde de reden om de vordering tot cassatie in het belang der wet in te stellen (Conclusie P-G 29 mei 2018, ECLI:NL:PHR:2018:930).

De gedachte dat een verzoek om vergoeding van de kosten raadsman ex artikel 591a Sv alleen voor toewijzing in aanmerking kwam op het moment dat de verdachte zelf de kosten van de raadsman had moeten dragen, leidde ertoe dat door verdachten afspraken werden vastgelegd met de financier voor de rechtsbijstand, waarbij bijvoorbeeld werd afgesproken dat de betalingen werden gedaan ten titel van voorschot en de verdachte zich verbond aan het indienen van een verzoekschrift ex artikel 591a Sv op het moment dat de zaak eindigde zonder oplegging van straf of maatregel en zonder toepassing van artikel 9a Sr. In de onderhavige casus vloeien vergelijkbare afspraken voort uit artikel 5 lid 3 Regeling tegemoetkoming rechtskundige hulp politie waarin staat dat ‘in een strafrechtelijke procedure […] de ambtenaar zorg [draagt] voor een verzoek tot vergoeding van kosten op grond van de artikelen 591 en 591a van het Wetboek van Strafvordering en […] er bij toewijzing van dit verzoek zorg voor [draagt] dat deze vergoeding toekomt aan het bevoegd gezag’.

In de onderhavige zaak was de gewezen verdachte, brigadier van politie, naar aanleiding van een incident tijdens diensttijd op 11 juni 2013 als verdachte aangemerkt ter zake van zware mishandeling de dood ten gevolge hebbende, dan wel doodslag, dan wel dood door schuld. De strafzaak tegen de gewezen verdachte werd bij beslissing vastgelegd in een brief van 15 mei 2014 van het arrondissementsparket Amsterdam, Team Specialistische Maatwerkzaken, geseponeerd. Nadat op grond van artikel 12 Sv een klacht tegen het sepot werd ingediend, wees het Gerechtshof Amsterdam de klacht bij beschikking van 19 januari 2016 af. Daarmee is de strafzaak tegen de gewezen verdachte geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a Sr.

De kosten voor rechtsbijstand waren op grond van artikel 69a lid 1 Besluit Algemene Rechtspositie Politie (hierna: BARP) ten laste gebracht van de werkgever (de politie) en konden alleen worden teruggevorderd bij – in dit geval – strafrechtelijke veroordeling. Er was dus – zo werd expliciet overwogen door de rechter in eerste aanleg – geen sprake van een voorschot en – zo overwoog het hof – ook geen sprake van een voorwaardelijke tegemoetkoming in de kosten van rechtskundige hulp. Het hof wijst het verzoek af, omdat er ‘naar het oordeel van het hof in de onderhavige zaak geen sprake [is] van een situatie waarin de appellant op enigerlei wijze zelf de kosten van rechtsbijstand heeft moeten dragen of zal moeten dragen’.

Dat sprake was van onduidelijkheid over de vraag of een verzoek tot vergoeding van de kosten van een raadsman voor toewijzing vatbaar is ook indien de verzoeker, de gewezen verdachte, die kosten niet zelf draagt maar deze worden gedragen door een derde, zoals zijn werkgever, wordt onderbouwd door verwijzing naar een aantal uitspraken waarin het verzoek werd afgewezen (Rb. ’s-Gravenhage 10 april 2007, ECLI:NL:RBSGR:2007:BA4322 (werkgever verklaarde zich – ongeclausuleerd – bereid de kosten van de raadsman van de journalist te dragen, kosten waren door raadslieden rechtstreeks gedeclareerd bij de werkgever en door deze voldaan); Rb. ’s-Gravenhage 2 december 2008, ECLI:NL:RBSGR:2008:BG5828 (werkgever draagt kosten raadsman van gezinsvoogd BJZ); Hof Arnhem 26 mei 2011, ECLI:NL:GHARN:2011:BR5332 (kosten raadsman van machinist, declaraties overeenkomstig afspraak naar werkgever en door deze betaald); Rb. Amsterdam 28 november 2012, ECLI:NL:RBAMS:2012:BY8627 (kosten voldaan door politiekorps zijn geen kosten die ten laste van de gewezen verdachte zijn gekomen); en Rb. Amsterdam 25 april 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:2716 (kosten raadsman politieambtenaar gedragen door politiebond)) en uitspraken waarbij de vergoeding werd toegekend (Hof Den Haag 14 november 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:4020 en Hof ’s-Hertogenbosch 3 november 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:4602).

Onder aanhaling van de wetsgeschiedenis met betrekking tot artikel 591a Sv concludeert de advocaat-generaal dat daarin niet valt te lezen dat is beoogd om vergoeding van de kosten raadsman afhankelijk te stellen van de vraag of de gewezen verdachte zelf deze kosten heeft gedragen. Integendeel: uit het expliciet opnemen van de zinsnede omtrent de toegevoegde raadsman kan veeleer worden afgeleid dat een beperking tot die kosten die de gewezen verdachte zelf heeft gedragen nu juist niet was beoogd. Daarmee wordt ook voorkomen dat de rechter onderzoek dient te doen naar de vraag wie de kosten heeft gedragen en wordt bovendien aangesloten bij de wijze waarop in het civiele procesrecht en het bestuursprocesrecht wordt omgegaan met het toewijzen van een tegemoetkoming in de proceskosten aan de in het gelijk gestelde partij.

De Hoge Raad volgt de advocaat-generaal en verwijst naar zijn arrest van 1 mei 1973, ECLI:NL:HR:1973:AB3408, NJ 1973/355.

Resteert de vraag hoe dit arrest precies moet worden gelezen. Eist de Hoge Raad nu dat de gewezen verdachte op grond van een rechtsverhouding een vordering heeft op een derde tot vergoeding van de kosten raadsman? Of bedoelt de Hoge Raad te zeggen dat in alle gevallen, ongeacht door wie de kosten worden gedragen en of de gewezen verdachte op grond van een rechtsverhouding een vordering heeft op een derde, de gewezen verdachte kan verzoeken om vergoeding van de kosten van een raadsman? Dat laatste lijkt – bijvoorbeeld ook in de situatie waarin ouders of andere familieleden de kosten hebben gedragen – een fraaiere uitleg van artikel 591a Sv. Bovendien wordt daarmee aangesloten bij de wijze waarop in het civiele procesrecht en het bestuursprocesrecht wordt omgegaan met het toewijzen van een tegemoetkoming in de proceskosten aan de in het gelijk gestelde partij.