Naar boven ↑

Annotatie

prof. mr. H. de Doelder
3 februari 2020

Rechtspraak

Weer noodweer. Noot bij HR 3 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:190.

De verdachte was op bezoek in het huis van zijn tante en maakte daar zo’n ruzie, dat hij door de politie werd verwijderd. Toen hij van het politiebureau kwam, ontdekte hij dat zijn jas, huissleutels en telefoon nog in het huis van tante lagen. Hij ging (weer) naar die woning, ging via de achtertuin en achterdeur (of: achterraam) naar binnen en wilde naar eigen zeggen vervolgens zijn spullen ophalen om naar zijn eigen woning te gaan. Hij zegt (later) dat hij er niet was om ruzie te maken.

Het bezoek bij tante wordt geconfronteerd met een neef, die nadat hij door de politie was verwijderd wegens agressief gedrag, opeens weer binnen stond. Twee mannen besprongen hem zonder iets te vragen onmiddellijk en drukten hem tegen de grond. Tijdens die worsteling beet de verdachte een van die mannen en daarvoor werd hij vervolgd.

De verdediging stelde dat verdachte uit noodweer handelde. Hij werd immers tegen de vloer gedrukt en zodoende, tegen zijn wil, in een conflictsituatie gebracht. Hij mocht zich daartegen verdedigen omdat zijn opponenten bovenop hem lagen.

Het hof overwoog dat de verdachte ondanks een negatief advies van de politie alsnog op irreguliere wijze de woning van tante wederom had betreden. De verdachte heeft, door aldus te handelen, de confrontatie gezocht en hij is rechtmatig uit de woning verwijderd, hetgeen weliswaar hardhandig is gebeurd, maar geenszins is volgens het hof aannemelijk geworden dat die verwijdering op een zodanige wijze heeft plaatsgevonden dat de noodzaak bestond voor de verdachte tot verdediging van zijn lijf tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor. Op grond van die feiten en omstandigheden was het hof van oordeel dat er geen sprake was van een noodweersituatie, zodat het beroep op noodweer(exces) niet slaagt.

Maar nu de Hoge Raad. Hij verwijst naar HR 28 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU8087, NJ 2006/509, waarin inderdaad wordt gesteld dat gedragingen van de verdachte voorafgaande aan de wederrechtelijke aanranding door het latere slachtoffer onder omstandigheden in de weg kunnen staan aan het slagen van een beroep op noodweer(exces). De Hoge Raad merkt op, dat dat bijvoorbeeld het geval is indien de verdachte de aanval heeft uitgelokt door provocatie van het slachtoffer en hij aldus uit was op confrontatie. In het door de Hoge Raad aangehaalde geval was dat niet het geval. Het verhaal halen na een niet-betaalde taxirit leverde onvoldoende ‘eigen schuld’ op, oftewel: misschien was het niet zo verstandig, maar ook weer niet zo onverstandig dat men geen beroep meer zou mogen doen op een strafuitsluitingsgrond. Een voorbeeld van eigen schuld door het opzoeken van een confrontatie vindt men bijvoorbeeld in HR 17 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV9085. Verdachte bemoeide zich met een ruzie van zijn vriend (‘wie aan hem zit, zit aan mij’). Hij haalde uit met zijn vuist en het hof oordeelde dat hier sprake was van het halen van verhaal en niet van een verdedigingshandeling. In HR 17 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV9062 heeft de broer van verdachte de auto van het latere slachtoffer tot stoppen gedwongen en is verdachte vervolgens in die auto gestapt. Verdachte heeft die auto een bepaalde route opgegeven en de bestuurder vervolgens weer laten stoppen op een plek, waar de broer van verdachte weer kwam aanrennen en het slachtoffer begon te slaan en te schoppen. De verdachte heeft, in de auto, het slachtoffer belet uit te stappen en hem ook geslagen. Volgens het hof moet uit de gedragingen van de verdachte worden afgeleid dat hij de confrontatie heeft gezocht. In de twee laatste hier besproken zaken heeft de Hoge Raad de afwijzing van het beroep op noodweer en dus de veroordeling in stand gelaten: immers de verdachten zochten zelf de confrontatie op. Daarbij is niet zozeer van belang of er bij de verdachte sprake is van een zachte ‘eigen schuld’; het opzoeken van de confrontatie geeft aan dat er sprake is van een harde ‘dolus in causa’: een opzet om zich onnodig in de conflictsituatie te storten.

In de onderliggende hier geannoteerde casus meende het hof dat de verdachte door het wederom betreden van de woning, nadat hij daaruit was verwijderd, de confrontatie met het latere slachtoffer heeft gezocht. Dat nu acht de Hoge Raad echter niet zonder meer begrijpelijk, in aanmerking genomen dat het hof heeft vastgesteld dat de verdachte bij zijn terugkeer in de woning meteen werd besprongen en tegen de grond werd gewerkt en dat het hof de juistheid van de bewering van verdachte dat hij louter teruggekeerd was om – onder meer – zijn huissleutels op te halen, in het midden heeft gelaten.

Op zich zou ik me kunnen voorstellen dat deze uitspraak bevreemding wekt. Hoe beleefd moet je zijn tegen iemand die eerst met politiedwang uit je huis is gezet en die kort daarna weer terug is in je woning? Ik denk toch dat het daarin niet zit. Men moet de vernietiging zien tegen de achtergrond van de informatie uit het dossier. Daarin staat opgenomen de verklaring van de verdachte over zijn huissleutels. Dat lijkt toch redelijk. De kern zit hem in het volgende: waar haalt het hof eigenlijk vandaan dat door de verdachte de confrontatie (en niet zijn sleutels) werd gezocht? Het hof had op zijn minst enig onderzoek moeten doen daarnaar en vervolgens iets op grond van het verhandelde ter terechtzitting aannemelijk kunnen achten.

Voor de advocatuur is de les de verweren duidelijk te formuleren, zoals in concreto kort en bondig is gedaan, gevolgd door een conclusie (in dit geval ontslag van rechtsvervolging). Zoals ik eerder in deze rubriek heb geschreven staat de Hoge Raad meer open voor een beroep op noodweer dan jaren geleden en is hij strenger bij de verwerping daarvan. Een goede verdediging kan tot resultaat leiden!